Betrokkene was werkzaam als productiemedewerker toen hij zich in juni 2011 ziek meldde. Het UWV stelde in april 2013 vast dat geen recht bestond op een WIA-uitkering en weigerde latere verzoeken om heroverweging en ZW-uitkering. Na uitgebreid medisch onderzoek door UWV-artsen en verzekeringsartsen werd vastgesteld dat betrokkene vanaf april 2014 volledig arbeidsongeschikt was, met een WGA-uitkering tot mei 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit ongegrond, omdat geen toegenomen arbeidsongeschiktheid was vastgesteld voor de periode september 2013 tot april 2014. Het beroep tegen het tweede besluit werd gegrond verklaard vanwege onduidelijkheid over de datum in geding, waarbij de rechtbank stelde dat 8 mei 2016 de datum in geding was en dat het UWV geen medische beoordeling had verricht voor die datum.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat geen recht op uitkering bestond voor de periode tot april 2014. De Raad stelde vast dat de datum in geding niet 8 mei 2016 is, maar 30 maart 2015, de datum van het primaire besluit, en vernietigde het besluit dat een latere datum hanteerde. Het UWV werd veroordeeld in de kosten van betrokkene.