ECLI:NL:CRVB:2017:1856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bestuurlijke boete wegens niet gemelde geldstortingen bij bijstand
Appellant ontving samen met zijn echtgenote bijstand volgens de norm voor gehuwden. Na een rechtmatigheidsonderzoek en een gesprek op 21 november 2013 stelde het dagelijks bestuur vast dat appellant en zijn echtgenote geen recht hadden op bijstand over bepaalde maanden in 2013. Vervolgens werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd, en werd een boete opgelegd wegens het niet melden van autobezit en geldstortingen.
De rechtbank had de boete vastgesteld op €2.690,-, maar appellant ging hiertegen in hoger beroep. Hij voerde onder meer aan dat zijn verklaring tijdens het gesprek niet gebruikt mocht worden vanwege het ontbreken van een cautie, en dat er geen sprake was van grove schuld. De Raad oordeelde dat de verklaring over de kasstorting wel gebruikt mocht worden, dat de storting van €1.000,- op 25 april 2013 niet was gemeld en dat de verklaring van appellant hierover ongeloofwaardig was.
Echter, de Raad vond dat het dagelijks bestuur onvoldoende had aangetoond dat sprake was van grove schuld en stelde dat normale verwijtbaarheid van toepassing was. Gezien de financiële situatie van appellant, die bijstand ontving, matigde de Raad de boete tot €1.684,77, wat gelijk staat aan twaalf maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De boete wegens niet gemelde geldstortingen wordt vastgesteld op €1.684,77 met inachtneming van normale verwijtbaarheid en financiële draagkracht.