ECLI:NL:CRVB:2016:3024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en vernietiging boeteoplegging
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en verrichtte naar eigen zeggen parttime werkzaamheden bij een horecabedrijf. Handhavingsmedewerkers constateerden zijn frequente aanwezigheid bij een ander horecabedrijf en vermoedden niet gemelde werkzaamheden. Het college trok de bijstand in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking deels gegrond en wees de boete af. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de intrekking van de bijstand, omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. De Raad oordeelde echter dat het college onvoldoende bewijs leverde voor de boeteoplegging, omdat het vermoeden van werkzaamheden niet overtuigend was en het college geen concreet bewijs aanvoerde.
De Raad vernietigde daarom het boetebesluit en veroordeelde het college in de kosten van appellant. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering bij boeteopleggingen en bevestigt de bevoegdheid tot intrekking bij schending van de inlichtingenplicht.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wordt bevestigd, de opgelegde boete wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.