ECLI:NL:CRVB:2017:1859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.C.W. Lange
- B.M. van Dun
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW- en ZW-uitkeringen en recht op loongerelateerde WGA-uitkering
Appellante was tot 14 september 2010 werkzaam als heftruckmedewerker en viel daarna uit. Zij ontving vanaf 11 september 2012 een WW-uitkering, gevolgd door een ZW-uitkering van 25 januari 2013 tot 25 september 2013 en daarna opnieuw een WW-uitkering tot 30 november 2013. Op 27 mei 2013 kende het UWV appellante een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een einddatum van 10 april 2014.
Het UWV beëindigde de WW-uitkering per 26 oktober 2012 en per 26 september 2013 omdat appellante op die data recht had op een WGA-uitkering. De onverschuldigd betaalde WW- en ZW-uitkeringen werden verrekend met de WGA-uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten eveneens ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verrekening voorbarig was vanwege een lopende procedure over de toekenning van een IVA-uitkering en dat onduidelijkheid bestond over de grondslagen van de besluiten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering in rechte onaantastbaar was en dat het UWV terecht tot verrekening was overgegaan. Tevens bevestigde de Raad dat appellante per 10 januari 2014 geen recht had op WW-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van onverschuldigde uitkeringen via verrekening bevestigd.