ECLI:NL:CRVB:2017:1935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding binnen twee jaar
Appellant ontving bijstand als alleenstaande vanaf 1 augustus 2010. Het college trok de bijstand in per 14 mei 2012 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn nicht S. De Raad oordeelde eerder dat appellant en S tussen 14 mei 2012 en 26 juni 2012 als gehuwden werden aangemerkt. Appellant diende op 29 juli 2012 een nieuwe bijstandsaanvraag in, waarbij hij verklaarde op hetzelfde adres te wonen als S.
Het college weigerde de aanvraag wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank vernietigde dit besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, omdat appellant en S binnen twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden werden aangemerkt, waardoor een gezamenlijke huishouding onweerlegbaar werd vermoed.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank zijn verklaringen niet voldoende had meegewogen en S niet had gehoord. De Raad stelde vast dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden geldt indien beide voorwaarden – hoofdverblijf in dezelfde woning en eerdere aanmerking als gehuwden binnen twee jaar – zijn voldaan. Dit was het geval, waardoor de aanvraag terecht werd afgewezen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding binnen twee jaar.