ECLI:NL:CRVB:2017:1946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit na eerstejaars ZW-beoordeling
Appellant ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet na ziekmelding in september 2013. Bij een eerstejaars ZW-beoordeling in augustus 2014 werd vastgesteld dat hij met inachtneming van beperkingen nog 80,23% van zijn loon kon verdienen. Het UWV besloot daarom het recht op ziekengeld te beëindigen per oktober 2014. Appellant maakte bezwaar en stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, dat het UWV onvoldoende informatie had ingewonnen bij behandelaars en dat een urenbeperking ten onrechte niet was aangenomen.
De Raad volgde de rechtbank in de beoordeling dat de verzekeringsartsen voldoende informatie hadden en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. Er waren geen aanwijzingen dat met zijn lichamelijke en psychische klachten onvoldoende rekening was gehouden. Ook het besluit op grond van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, dat een ander toetsingskader hanteert, leidde niet tot een ander oordeel.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies waarop de eerstejaars ZW-beoordeling was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.