ECLI:NL:CRVB:2017:2002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- P.W. van Straalen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante stond ingeschreven op een ander adres dan haar partner [X], die bijstand ontving van het college. Uit onderzoek bleek dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, wat niet was gemeld, waardoor bijstand ten onrechte werd verleend.
Het college vorderde de kosten van de bijstand mede van appellante terug op grond van artikel 59 WWB Pro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
Appellante voerde aan dat zij geen verwijt treft, dat de situatie vergelijkbaar was met een andere gemeente, en dat terugvordering tot onaanvaardbare financiële gevolgen leidt. Deze argumenten werden verworpen omdat de gezamenlijke huishouding objectief vaststaat, verwijt aan [X] bestaat en geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was tot medeterugvordering en dat het beleid correct is toegepast. De invordering kan via betalingsregeling worden afgewend. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand mede van appellante bevestigd.