ECLI:NL:CRVB:2017:2038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verrekening Wajong-uitkering tijdens schuldsanering
Appellant ontving sinds 1999 een Wajong-uitkering, die vanaf 2010 voortgezet werd op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Het UWV vorderde in 2009 een bedrag terug en legde een boete op, waarna het in 2010 begon met verrekening van deze vorderingen met de lopende uitkering. In 2011 werd appellant toegelaten tot de schuldsanering (WSNP).
Appellant verzocht in 2012 het UWV om de verrekening vanaf de datum van toelating tot de schuldsanering ongedaan te maken, wat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat beide vorderingen voor toelating tot schuldsanering waren ontstaan en het UWV daarom mocht verrekenen.
In hoger beroep betoogde appellant dat het recht op Wajong-uitkering per uitkeringsperiode ontstaat en dus ook na toelating tot schuldsanering blijft bestaan, waardoor verrekening niet is toegestaan. De Raad oordeelde dat het recht op uitkering van rechtswege ontstaat zodra aan de voorwaarden wordt voldaan en dat het UWV ten onrechte heeft verrekend met uitkeringen die na toelating tot schuldsanering zijn ontstaan.
De Centrale Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, wijst het verzoek van appellant toe en veroordeelt het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het UWV mocht de vorderingen niet verrekenen met Wajong-uitkeringen die na toelating tot de schuldsanering zijn ontstaan; het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.