ECLI:NL:CRVB:2017:2063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellant ontving bijstand sinds 2009 en stond sinds april 2014 ingeschreven op een adres in Heerenveen. Het college van burgemeester en wethouders stelde vast dat appellant niet op dat adres woonde, onder meer door het lage water-, gas- en elektriciteitsverbruik en de staat van de woning. Appellant verscheen niet op meerdere voortgangsgesprekken en verleende geen medewerking aan huisbezoeken.
Na onderzoek constateerden medewerkers dat de woning ongemeubileerd en vrijwel leeg was, met weinig persoonlijke bezittingen en een zeer laag verbruik van nutsvoorzieningen. Appellant gaf wisselende verklaringen over zijn woonsituatie en het ontbreken van meubels en persoonlijke spullen. Ook het sporadisch legen van de vuilniscontainer en de bankafschriften die betalingen elders lieten zien, ondersteunden het oordeel dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
Het college besloot daarom de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de kosten terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven adres wordt bevestigd.