Uitspraak
4 februari 2016, 15/3509 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg op 22 oktober 2014 door het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen verplichtingen opgelegd met betrekking tot behandeling en medewerking aan haar lichamelijke beperkingen. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar ongegrond, met uitzondering van het intrekken van een informatieverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat haar medische situatie was verslechterd en dat zij de opgelegde verplichtingen niet kon nakomen. Tevens voerde zij aan dat het college onvoldoende rekening hield met haar individuele omstandigheden.
De Raad overwoog dat het college inmiddels een nieuw besluit had genomen naar aanleiding van een nieuw advies, waartegen appellante bezwaar had gemaakt. Dit maakte het bestreden besluit van 22 oktober 2014 feitelijk afgesloten. Omdat appellante geen belang meer had bij een uitspraak over dit oude besluit, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 mei 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.