Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin haar aanvraag op grond van de Wajong 2010 werd afgewezen omdat zij naar het oordeel van het UWV niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 2:3, tweede lid, Wajong 2010, met name omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak na 1 oktober 2010.
De Centrale Raad van Beroep heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat het UWV ten onrechte niet had beoordeeld of sprake was van toegenomen beperkingen en heeft het UWV opgedragen dit nader te onderzoeken. Het UWV heeft dit onderzoek uitgevoerd en geconcludeerd dat er geen objectieve medische onderbouwing is voor toename van beperkingen. De Raad stelt vast dat het motiveringsgebrek is hersteld.
Appellante voerde aan dat de medische beoordeling onvoldoende objectief was en dat nieuwe diagnoses zoals fibromyalgie en ongedifferentieerde somatoforme stoornis als novum hadden moeten worden meegewogen. De Raad oordeelt echter dat het UWV terecht geen aanleiding zag tot herziening van het oorspronkelijke besluit en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af omdat de bestuursrechtelijke procedure binnen vier jaar is afgerond. Wel wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante voor reiskosten en griffierecht.