Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:2223

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
27 juni 2017
Zaaknummer
14/4261 WWAJ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:3 Wajong 2010Art. 4:6 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Wajong na herstel motiveringsgebrek door UWV

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin haar aanvraag op grond van de Wajong 2010 werd afgewezen omdat zij naar het oordeel van het UWV niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 2:3, tweede lid, Wajong 2010, met name omdat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak na 1 oktober 2010.

De Centrale Raad van Beroep heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat het UWV ten onrechte niet had beoordeeld of sprake was van toegenomen beperkingen en heeft het UWV opgedragen dit nader te onderzoeken. Het UWV heeft dit onderzoek uitgevoerd en geconcludeerd dat er geen objectieve medische onderbouwing is voor toename van beperkingen. De Raad stelt vast dat het motiveringsgebrek is hersteld.

Appellante voerde aan dat de medische beoordeling onvoldoende objectief was en dat nieuwe diagnoses zoals fibromyalgie en ongedifferentieerde somatoforme stoornis als novum hadden moeten worden meegewogen. De Raad oordeelt echter dat het UWV terecht geen aanleiding zag tot herziening van het oorspronkelijke besluit en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af omdat de bestuursrechtelijke procedure binnen vier jaar is afgerond. Wel wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante voor reiskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

14/4261 WWAJ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
30 juni 2014, 13/7211 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 mei 2017
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 augustus 2016 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2016:3277, gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een brief van 15 december 2016 ingediend met als bijlage een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
2 december 2016.
Appellante heeft hierop haar zienswijze ingediend.
Beide partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.
De Raad heeft mededeling gedaan van een wijziging in de samenstelling van de meervoudige kamer en vervolgens het onderzoek gesloten, onder toepassing van artikel 8:57, tweede lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.
1.2.
Bij de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het Uwv ten onrechte bij het bestreden besluit niet heeft beoordeeld of in de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2015 sprake was van toegenomen beperkingen bij appellante uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in het tweede lid van artikel 2:3 van Pro de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010), op grond waarvan appellante alsnog zou kunnen voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. De Raad heeft het Uwv opgedragen om het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen door alsnog te onderzoeken of sprake is van toename van de beperkingen van appellante na 1 oktober 2010, waarbij met name de ziekmeldingen met ingang van 15 augustus 2011 en 19 februari 2012 nader dienen te worden bezien evenals de door appellante gestelde toename van de beperkingen sinds augustus 2015.
2.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep H.J. Schaap heeft appellante op 6 oktober 2016 op het spreekuur gezien en medisch onderzoek verricht. Zij heeft, op basis van de dossierstukken en haar eigen onderzoeksbevindingen, vastgesteld dat bij appellante steeds sprake is geweest van dezelfde ziekteoorzaak, namelijk hyperventilatie en somatisch onverklaarde lichamelijke klachten. Er is een tijdelijke toename geweest van klachten en beperkingen wegens zwangerschap in 2011, maar na de bevalling was bij de ziekmelding in februari 2012 geen sprake van toegenomen beperkingen uit de oorspronkelijke ziekteoorzaak. Verzekeringsarts A.J.H.M. Braat heeft appellante weliswaar destijds, in het kader van de Ziektewet (ZW), in 2012 en 2013 ongeschikt bevonden voor het eigen werk van medewerker callcenter, maar dit was omdat de medische situatie nog niet helemaal duidelijk was omdat de bij de behandelend longarts opgevraagde informatie nog niet was ontvangen en er nog onderzoeken naar het chronisch vermoeidheidssyndroom en een immunologische aandoening liepen. Vervolgens heeft de verzekeringsarts A.D. Terlouw in april 2014, in het kader van een beoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), vastgesteld dat appellante wegens een intensief (psychisch) behandelingstraject, voorgesteld door psychiater M. Kazemier ter behandeling van de vastgestelde ongedifferentieerde somatoforme stoornis, tijdelijk geen benutbare mogelijkheden voor arbeid had. Op basis van deze beoordeling is haar met ingang van 16 februari 2014 een WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet WIA. Hierbij is van belang dat, achteraf bezien, deze behandeling nooit blijkt te hebben plaatsgevonden. In augustus 2015 heeft appellante roodvonk gekregen, waarna zij krachtverlies in de handen ervoer en nachtelijke krampen in de benen. De neuroloog heeft in december 2015 geconcludeerd dat er geen sprake is van een neuromusculaire oorzaak voor deze klachten. Van toename van de beperkingen ten opzichte van de destijds vastgestelde functionele mogelijkheden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), van 26 juli 2011, is niet gebleken. Het bestreden besluit van 2 oktober 2013, waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit van 19 april 2013 tot weigering om terug te komen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 18 augustus 2011 ongegrond is verklaard, is dan ook onder een gewijzigde motivering gehandhaafd in hoger beroep.
2.2.
Appellante heeft hier tegen ingebracht dat al vanaf het begin van haar klachten in 2008 de specialisten worstelen met het stellen van de juiste diagnose. Haar gezondheidstoestand heeft echter nooit verbeteringen ondergaan, er is alleen maar verslechtering opgetreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep Schaap heeft niet voldaan aan de opdracht van de Raad met een op tunnelvisie gebaseerde onderbouwing voor de diagnoses van hyperventilatie en somatisch onverklaarde lichamelijke klachten. Er is geen sprake van een objectieve en zorgvuldige medische beoordeling, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep compleet voorbijgaat aan bevindingen van de reguliere artsen en ook aan die van haar
collega-verzekeringsartsen.
2.3.
Het Uwv heeft hierop gereageerd bij brief van 17 maart 2017, met als bijlage het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep Schaap van 2 maart 2017. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen en dat dit standpunt afdoende is onderbouwd met de in het dossier aanwezige medische informatie en dat de rapporten van verzekeringsartsen Braat en Terlouw hieraan niet afdoen.
2.4.
Appellante heeft bij brieven van 3 april 2017 en 13 april 2017 te kennen gegeven dat uit vervolgonderzoeken in december 2016 en januari 2017 is gebleken dat bij appellante sprake is van fibromyalgie. Dit zou moeten leiden tot het aannemen van een novum, evenals de door psychiater Kazemier in 2014 gestelde diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis als novum dient te worden aangemerkt. Verder handhaaft appellante haar standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep Schaap onvoldoende heeft gekeken naar anamneses van de huisarts, specialisten en eerdere verzekeringsartsen, en heeft gevaren op haar eigen tunnelvisie, namelijk de diagnose van hyperventilatie, en dat daardoor adequate en vooral objectieve bewijskracht achter haar beweringen ontbreekt. Op basis van de bevindingen van de momenteel behandelend reumatoloog blijkt dat sprake is van fibromyalgie en dat de klachten het best passen bij het chronisch vermoeidheidssyndroom. Daarom had zowel in 2011 als nu beoordeling moeten plaatsvinden op grond van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, wat ten onrechte niet is gebeurd. Inmiddels is het totaal aantal (pijn)klachten en beperkingen dermate groot en allesomvattend, dat haar hele leven daar nog steeds ernstig door beïnvloed wordt en er nauwelijks sprake is van enige kwaliteit van leven. Er is dagelijks nauwelijks energie en zonder ondersteuning van haar ouders en partner redt appellante het niet. Er is dus wel degelijk sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
3.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.2.
Anders dan appellante meent, heeft de Raad bij de tussenuitspraak geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht geen aanleiding heeft gezien om op basis van het verlaten van de eerder gestelde diagnose astma het oorspronkelijke besluit van
18 augustus 2011 te herzien, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Verder heeft de Raad overwogen dat het Uwv eveneens terecht geen aanleiding heeft gezien voor herziening voor de toekomst, omdat de aanvraag hiertoe onvoldoende onderbouwd was. Ten onrechte echter heeft het Uwv, naar het oordeel van de Raad, de aanvraag van appellante niet beoordeeld op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong 2010. Op dit punt is het bestreden besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd en daarom is het Uwv opgedragen hiertoe nader onderzoek te verrichten.
3.3.
Terecht heeft het Uwv zich dan ook beperkt tot de beoordeling van de door appellante gestelde toename van de beperkingen in de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2015, bezien in het kader van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong 2010.
3.4.
Artikel 2:3 van Pro de Wajong 2010 luidt als volgt:
“-1. Jongehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:
a. (….)
b. (….)
-2. Indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid onderdeel a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het eerste lid onderdeel a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, dan wordt de ingezetene alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.
-3 (...).”
3.5.
Bij besluit van 18 augustus 2011 is de aanvraag Wajong afgewezen omdat appellante na ommekomst van de wachttijd, per 1 oktober 2010, meer dan 75% van het maatmaninkomen kon verdienen en dus niet viel aan te merken als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, van de Wajong 2010. Aan dit besluit lag de FML van 26 juli 2011 ten grondslag, waarbij rekening is gehouden met de vermoeidheids- en benauwdheidsklachten van appellante bij de vaststelling van een verminderde energetische belastbaarheid, hyperactiviteit van de longen en beperkte stresshantering. Hiertoe zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van veelvuldige storingen/onderbrekingen in het werk, veelvuldige deadlines/productiepieken, gebruik van gelaatsmasker, stof, rook, gassen en dampen, tillen/dragen, zwaar tillen en lopen tijdens het werk.
3.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep Schaap heeft bij nader rapport van
2 december 2016, op grond van alle voorhanden medische informatie, alsmede haar eigen bevindingen na op 6 oktober 2016 verricht medisch onderzoek, vastgesteld dat het ziektebeeld van appellante over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2015 onveranderd is gebleven. Vele artsen hebben onderzoek verricht naar de medische toestand van appellante en er zijn verschillende diagnoses gesteld, waaronder astma, chronisch vermoeidheidssyndroom, ongedifferentieerde somatoforme stoornis en ook mitochondriële myopathie is overwogen, maar kon niet worden vastgesteld. Ook de (neven)diagnose hyperventilatie is herhaaldelijk overwogen, onder meer door longarts D. Cheung en internist/immunoloog
M.E. van Wolfswinkel. Naar het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep vormen, achteraf bezien, de diagnoses hyperventilatie en somatisch onverklaarde lichamelijke klachten de beste verklaring voor de chronische klachten van appellante.
3.7.
Echter, niet de diagnose is van doorslaggevend belang bij de medische beoordeling in het kader van de Wajong 2010, het gaat om de hieruit voortvloeiende beperkingen voor arbeid. In het kader van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong 2010, dient het hierbij te gaan om beperkingen die ten eerste voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak als die bij de eerste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan de orde was en dient verder aannemelijk te zijn dat de betrokkene niet binnen een jaar volledig zal herstellen. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is afdoende gemotiveerd dat er geen objectief medische onderbouwing te vinden is in het dossier voor toename van de beperkingen wegens vermoeidheid en benauwdheid over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2015. Ook is overtuigend gemotiveerd dat de omstandigheid dat andere verzekeringsartsen in het kader van de ZW en Wet WIA appellante ongeschikt hebben geacht voor haar eigen werk als medewerker callcenter onderscheidenlijk tijdelijk volledig arbeidsongeschikt wegens een intensieve psychische behandeling, hieraan niet afdoen. Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geen grond gezien voor een toename van de beperkingen van appellante, en met name niet ten tijde van de ziekmeldingen per augustus 2011 en februari 2012, noch per augustus 2015.
3.8.
Gelet op de overwegingen 3.2 tot en met 3.7 heeft het Uwv met de brief van
15 december 2016 en het nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
2 december 2012 het bij de tussenuitspraak vastgestelde gebrek aan het bestreden besluit hersteld.
3.9.
Het hoger beroep van appellante slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals het bestreden besluit. Nu het bij de tussenuitspraak vastgestelde gebrek is hersteld door het Uwv, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Bij deze uitkomst is voor toekenning van schadevergoeding, zoals door appellante gevraagd, geen plaats. Wel is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit), begroot op € 12,50 wegens reiskosten in beroep en op € 20,44 wegens reiskosten in hoger beroep, in totaal € 32,94, zijnde de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse. De overige door appellante geclaimde kosten wegens parkeren en verschotten komen, op grond van het Besluit, niet voor vergoeding in aanmerking.
3.10.
Appellante heeft eveneens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) volgt dat een bestuursrechtelijke procedure in drie instanties, behoudens uitzonderingen, niet langer dan vier jaar mag duren. De bestuursrechtelijke procedure is begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante op 27 mei 2013 en geëindigd met deze uitspraak. Hiermee staat vast dat de gehele procedure niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Er is dan ook geen grond voor toekenning van (immateriële) schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2013;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal
€ 32,94;
- wijst het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van door appellante geleden
schade af;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 166,- aan
haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en R.E. Bakker en
L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
De griffier is verhinderd om te ondertekenen.

RB