ECLI:NL:CRVB:2017:2244
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum periodieke uitkering op datum hernieuwde aanvraag Wuv en Wubo
Appellante, geboren in 1934, diende in november 1999 aanvragen in op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen werden destijds afgewezen omdat niet werd aangenomen dat zij onder de betreffende wetgeving viel.
In 2015 vroeg appellante herziening van deze besluiten, mede gebaseerd op een uitspraak van de Raad over haar zus. Verweerder erkende appellante toen alsnog als vervolgde en kende haar een periodieke uitkering toe met ingang van 1 maart 2015. De ingangsdatum werd bepaald volgens artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv, namelijk de eerste dag van de maand waarin het hernieuwde verzoek werd ingediend.
Appellante stelde dat de ingangsdatum terug moest gaan tot 1 november 1999 of ten minste vijf jaar terugwerkende kracht moest krijgen. De Raad oordeelde echter dat verweerder terecht de hoofdregel toepaste en dat geen sprake was van een aan verweerder toe te rekenen ambtelijke fout die een eerdere ingangsdatum zou rechtvaardigen.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de ingangsdatum van de uitkering en voorzieningen op 1 maart 2015, de datum van de hernieuwde aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de toegekende uitkering en voorzieningen blijft de eerste dag van de maand van de hernieuwde aanvraag, zonder terugwerkende kracht.