ECLI:NL:CRVB:2017:2283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld wegens ontbreken feitelijke oorlogsomstandigheden
Appellant, een gewezen militair van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, verloor tijdens een dienstongeval in juni 1945 het gezichtsvermogen aan één oog. Hij vroeg in 2012 een bijzondere uitkering aan op grond van de Regeling Ereschuld, die werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarde van invaliditeit door inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie.
De rechtbank stelde in een tussenuitspraak dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en gaf de minister gelegenheid dit te herstellen. De minister motiveerde vervolgens dat de periode na de capitulatie niet zodanig chaotisch was dat sprake was van feitelijke oorlogsomstandigheden, en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat het enkele feit dat de hardheidsclausule in andere gevallen werd toegepast, niet betekent dat deze ook hier toegepast moet worden.
Ook het beroep op veteranenstatus en de vergelijking met de gijzelingsacties in 1977 faalde, omdat deze situaties niet vergelijkbaar zijn en appellant niet deelnam aan een crisisbeheersingsoperatie. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om een bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld wordt afgewezen omdat geen sprake is van invaliditeit door inzet tijdens feitelijke oorlogsomstandigheden.