ECLI:NL:CRVB:2017:2286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onroerend goed en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een signaal over het bezit van onroerend goed in Turkije startte de gemeente Nijmegen een onderzoek. Dit leidde tot de constatering dat appellanten vermogen hadden boven de vermogensgrens, bestaande uit appartementen met een gezamenlijke waarde van ruim €100.000, waarvan zij het bezit hadden verzwegen.
Het college trok de bijstand over de periode van 6 augustus 2009 tot en met 31 maart 2013 in en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank vernietigde dit besluit deels, maar beperkte de intrekking tot genoemde periode en stelde de terugvordering vast op €64.910,40.
In hoger beroep erkenden appellanten het bezit van appartement nr. 1 in de periode 1 september 2010 tot 11 augustus 2011, maar betwistten zij de overige perioden. De Raad oordeelde dat het bezit van een woning in het kadastraal register een vermoeden van beschikking over het vermogen geeft, dat appellanten niet konden weerleggen. De schending van de inlichtingenplicht vormde een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand.
De Raad verwierp het beroep op een te hoge taxatie en het ontbreken van een contra-expertise. Ook de stelling dat de waarde onbetaalbaar zou zijn in Turkse begrippen werd onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van €64.910,40 worden bevestigd wegens bezit van onroerend goed boven de vermogensgrens en schending van de inlichtingenplicht.