ECLI:NL:CRVB:2017:2330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfsrecht ondanks schrijnende omstandigheden
Appellante, afkomstig uit Oeganda, verblijft sinds december 2010 in Nederland. Haar zoon is in december 2011 geboren en werd kort daarna onder toezicht gesteld. Hoewel zij vanaf november 2012 een verblijfsvergunning had, werd kinderbijslag voor de periode vóór die datum geweigerd vanwege het ontbreken van verblijfsrecht en daarmee een duurzame persoonlijke band met Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro in samenhang met artikel 14 EVRM Pro niet slaagt en dat geen schrijnende omstandigheden zijn gebleken om het koppelingsbeginsel buiten toepassing te laten. In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank onvoldoende inzicht gaf in haar beoordeling en dat haar situatie bijzondere omstandigheden bevatte, mede gezien de ondertoezichtstelling van haar zoon.
De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en stelt vast dat het koppelingsbeginsel niet buiten toepassing wordt gelaten, ook niet vanwege de schrijnende omstandigheden, het verblijf in een AZC, de hulpverlening en het ontvangen leefgeld. De Raad concludeert dat de weigering van kinderbijslag niet strijdig is met het discriminatieverbod en het recht op gezinsleven. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van verblijfsrecht ondanks schrijnende omstandigheden.