ECLI:NL:CRVB:2017:2380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was tot februari 2010 werkzaam als schoonmaker en meldde zich vanaf mei 2010 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na meerdere ziekmeldingen en onderzoeken wees het UWV de aanvraag van appellant voor een WIA-uitkering per november 2014 af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zowel de medische als arbeidskundige onderbouwing werd onderschreven.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat hij niet in staat was tot deelname aan het arbeidsleven. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berustte, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige overtuigend hadden gemotiveerd dat appellant de geselecteerde functies kon vervullen met inachtneming van zijn beperkingen.
Hoewel later in 2016 een herbeoordeling leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid en recht op een WGA-uitkering, was hiervan op de datum van het bestreden besluit in 2014 nog geen sprake. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is op de datum van het besluit.