ECLI:NL:CRVB:2015:713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens voldoende arbeidsgeschiktheid
Appellant was tot 1 februari 2010 werkzaam als schoonmaker en ontving daarna een WW-uitkering. Op 25 mei 2010 meldde hij zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op 16 april 2012 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Dit oordeel was gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige die appellant geschikt achtte voor functies zoals productiemedewerker.
Na een nieuwe ziekmelding op 13 augustus 2012 onderzocht een andere verzekeringsarts appellant op 18 september 2012 en concludeerde dat zijn beperkingen niet waren toegenomen. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per die datum. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel in juli 2013.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij niet in staat was de geduide functies te verrichten. Hij overlegde brieven van i-psy ter onderbouwing. Het UWV leverde daarop aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de nieuwe brieven geen nieuw licht wierpen op de situatie op de datum in geding. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 18 september 2012.