Appellant, werkzaam als politieambtenaar sinds april 2009, verzocht om bevordering tot senior GGP. Aanvankelijk werd dit verzoek afgewezen wegens onvoldoende positief advies over verwachte geschiktheid. Na bezwaar en nadere besluiten van de korpschef, waarbij de bevorderingsdatum met terugwerkende kracht werd vastgesteld op 1 november 2010, kwam de korpschef terug op het eerdere besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk. De Raad bevestigt dit omdat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep tegen het bestreden besluit. Wel oordeelt de Raad dat de korpschef wettelijke rente moet vergoeden over de nabetaling van bezoldiging vanwege de terugwerkende kracht van de bevordering.
Daarnaast wijst de Raad het verzoek om vergoeding van proceskosten toe en bepaalt dat de korpschef het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden. Het beroep tegen het nadere besluit van 4 mei 2016 wordt ongegrond verklaard.