ECLI:NL:CRVB:2017:2558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden voor terugwerkende kracht
In deze zaak heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvragen om algemene en bijzondere bijstand. Het college had de aanvragen afgewezen omdat appellant sinds april 2013 een vaste verblijfplaats had en geen bijzondere omstandigheden voor terugwerkende bijstand aanwezig waren.
De Raad oordeelde in een tussenuitspraak dat het college ten onrechte geen standpunt had ingenomen over de mogelijkheid van bijstand met terugwerkende kracht vanaf oktober 2012 tot april 2013. Het college herzag daarop het besluit en kende bijzondere bijstand toe voor rechtsbijstand, maar wees algemene bijstand met terugwerkende kracht af.
Appellant voerde aan dat hij sinds februari 2013 een briefadres had en dat hem was toegezegd dat bijstand mogelijk zou zijn. De Raad stelde vast dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen, dat appellant onvoldoende actie had ondernomen richting het college en dat het college geen onrechtmatige verwachtingen had gewekt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de afwijzing van bijstand over de periode van oktober 2012 tot april 2013 betrof en verklaarde het beroep gegrond. Het beroep tegen het nader besluit tot afwijzing van algemene bijstand met terugwerkende kracht werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van bijstand over de periode oktober 2012 tot april 2013 wordt vernietigd, terwijl het beroep tegen de afwijzing van bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen.