Appellant, die traumatisch hersenletsel opliep na een arbeidsongeval in 2011, meldde zich ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 6 oktober 2014 op grond van de conclusie dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met andere functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet voltijds kan werken en dat de geselecteerde functies te zwaar zijn, onderbouwd met rapporten van een onafhankelijk arbeidsdeskundige, een klinisch neuropsycholoog en een neuroloog. De Raad beoordeelde de medische en arbeidskundige rapporten en concludeerde dat er twijfel blijft over de geschiktheid van appellant voor twee van de vijf functies, met name wikkelaar en snackbereider, vanwege cognitieve beperkingen en de werkomgeving.
De Raad oordeelde dat deze twijfel niet overtuigend door het UWV is weggenomen en dat de resterende functies onvoldoende zijn om de beëindiging van de uitkering te rechtvaardigen. Het bestreden besluit wordt vernietigd en appellant behoudt recht op ziekengeld vanaf 6 oktober 2014. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.