Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV omtrent zijn Wajong-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV appellant tegemoet met een gewijzigde beslissing op bezwaar, waardoor appellant het hoger beroep introk. De Raad beoordeelde vervolgens de verzoeken van appellant om schadevergoeding en proceskosten.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van schade wegens misgelopen heffingskorting voor de jaren 2009 tot en met 2011. Verzoeken om schadevergoeding voor misgelopen heffingskorting over latere jaren en voor niet-uitbetaalde tegemoetkoming op grond van de Wtcg werden afgewezen omdat het bestaan en de omvang van die schade niet vaststonden.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, waaronder kosten voor rechtsbijstand, een psychologisch rapport en reiskosten. De Raad stelde ook vast dat de redelijke termijn voor de rechterlijke fase was overschreden met ruim 36 maanden, wat leidde tot een immateriële schadevergoeding van €3.500,- aan appellant, te betalen door de Staat.