Uitspraak
OVERWEGINGEN
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest (…);
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant en E ontvingen beiden bijstand op basis van de WWB. Het college stelde dat zij gedurende de periode van 5 januari 2012 tot en met 16 februari 2014 een gezamenlijke huishouding voerden en vorderde de bijstand terug van beiden wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht. De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard en de terugvordering verminderd.
De Centrale Raad van Beroep onderzocht de vraag of appellant en E duurzaam gescheiden leefden vóór 10 oktober 2012 en of zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerden. Uit het onderzoek bleek dat zij niet duurzaam gescheiden leefden in de eerste periode, mede door gezamenlijke huishoudelijke activiteiten en verzorging. Voor de periode van 10 oktober 2012 tot 15 januari 2014 was onvoldoende bewijs voor een gezamenlijke huishouding.
Vanaf 15 januari 2014, na de geboorte van het gezamenlijke kind, verbleef appellant voor langere tijd bij E, wat een gezamenlijke huishouding opleverde. De Raad vernietigde het besluit voor de periode zonder gezamenlijke huishouding en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen met een maximale terugvordering van €20.000,-. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard voor de periode 10 oktober 2012 tot 15 januari 2014 en het college moet een nieuw besluit nemen met een maximale terugvordering van €20.000,-.