ECLI:NL:CRVB:2014:2884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening terugvordering bijstandsuitkering na nieuw gebleken feit
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht had bij besluit van 14 november 2011 de bijstand en inkomensvoorziening van F ingetrokken en de kosten daarvan mede van betrokkene teruggevorderd. Na bezwaar en beroep oordeelde de rechtbank dat het college niet had mogen aannemen dat F en betrokkene vanaf 24 november 2007 een gezamenlijke huishouding voerden, maar wel vanaf 1 januari 2011. Het college stelde hoger beroep in tegen dit oordeel.
Betrokkene verzocht op 21 februari 2013 om herziening van het besluit van 13 februari 2012, maar dit verzoek werd door het college afgewezen omdat geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden waren aangevoerd. De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde dat het uitvoeringsbesluit van 24 april 2013, waarin het terugvorderingsbedrag werd verlaagd, als nieuw feit moest worden aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het uitvoeringsbesluit een nieuw gebleken feit vormt dat rechtvaardigt dat het herzieningsverzoek wordt ingewilligd. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het ontbreken van een voorbehoud betreft en herroept het besluit van 19 maart 2013 onder voorbehoud van de uitkomst van het hoger beroep van het college tegen de rechtbankuitspraak. Het teruggevorderde bedrag wordt verlaagd tot € 11.420,66. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt ingewilligd en het teruggevorderde bedrag mede van betrokkene verlaagd tot € 11.420,66 onder voorbehoud van de uitkomst van het hoger beroep van het college.