Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2017
Publicatiedatum
25 januari 2017
Zaaknummer
14/6524 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000Art. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten herziening studiefinanciering wegens onbevoegde controleur

Appellanten werden door de minister als thuiswonende studerenden aangemerkt, wat leidde tot herziening van hun studiefinanciering. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep stelde de Raad vast dat het onderzoek naar de woonsituatie deels was uitgevoerd door een controleur die niet bevoegd was, namelijk een zelfstandige zonder personeel.

De Raad oordeelde dat toezicht op naleving van artikel 1.5 Wsf 2000 een overheidstaak is en dat alleen personen in dienst van een aangewezen partij bevoegd zijn tot toezicht. Bevindingen van onbevoegde controleurs zijn onrechtmatig verkregen en daarmee als bewijs ontoelaatbaar. De aanvullende verklaring van de bevoegde controleur kon de gebreken niet herstellen.

Zonder deze bevindingen ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor de besluiten van de minister, waardoor deze niet deugdelijk gemotiveerd waren. De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraken en de bestreden besluiten, herroept ook eerdere besluiten en veroordeelde de minister in de proceskosten.

Uitkomst: De besluiten tot herziening van studiefinanciering worden vernietigd wegens ontoelaatbaar bewijs en onvoldoende motivering.

Uitspraak

14/6524 WSF, 14/6535 WSF
Datum uitspraak: 25 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 oktober 2014, 13/7335 en 13/7336 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. G.J.A.W.E. van de Kreeke, hoger beroepen ingesteld.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2016. Appellanten en hun gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.
De Raad heeft het onderzoek heropend.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluiten van 8 juni 2013, gehandhaafd na bezwaren bij besluiten van 6 november 2013 (bestreden besluiten) heeft de minister de aan appellanten op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellanten vanaf 1 januari 2012 beiden als thuiswonende studerende zijn aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De minister heeft de bij de bestreden besluiten gehandhaafde herzieningen gebaseerd op de resultaten van een onderzoek naar de woonsituatie van appellanten. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs van wie er één ten tijde hier van belang werkzaam was bij de Sociale Recherche Tilburg. Deze controleur was op dat moment krachtens een aanwijzingsbesluit belast met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Bij brief van 19 augustus 2016 heeft de minister desgevraagd verklaard dat de andere controleur het onderzoek heeft verricht als zelfstandige zonder personeel (zzp’er).
4.2.
Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan. In zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943 heeft de Raad geoordeeld dat alleen die personen die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van een (door de staatssecretaris dan wel door de minister) aangewezen partij bevoegd zijn tot het houden van dit toezicht. Zoals is overwogen in - onder meer - de uitspraak van de Raad van
3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186, kan niet worden aanvaard dat dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) wordt uitbesteed aan een derde. Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn dan ook onrechtmatig verkregen.
4.3.
Dit betekent dat de bevindingen van het onderzoek als bewijs ontoelaatbaar zijn. De aanvullende verklaring van de bevoegde controleur maakt niet ongedaan dat de zzp’er zich ten onrechte heeft uitgegeven voor een bevoegde toezichthouder aan wie in die hoedanigheid in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bijzondere bevoegdheden zijn toegekend. Evenmin kunnen met een dergelijke verklaring onduidelijkheden en gebreken in het rapport worden hersteld. De onduidelijkheden en gebreken zijn hiervoor te substantieel.
4.4.
Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellanten niet wonen op het adres waaronder zij staan ingeschreven in de basisregistratie personen, berusten de bestreden besluiten niet op een deugdelijke motivering.
5. Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komen de aangevallen uitspraken voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren en die besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 8 juni 2013 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.
6. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraken;
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 6 november 2013;
- herroept de besluiten van 8 juni 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de
besluiten van 6 november 2013;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.485,-;
- bepaalt dat de minister aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 332,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en R.M. van Male en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) I.G.A.H. Toma

HD