ECLI:NL:CRVB:2017:2700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging kinderbijslag na bereiken 18-jarige leeftijd jongste kind is terecht
Appellant, woonachtig in Marokko, ontving kinderbijslag voor vier kinderen geboren in 1988, 1994, 1997 en 2006. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2015, omdat het jongste kind waarvoor appellant op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag, inmiddels 18 jaar was geworden.
Appellant stelde in hoger beroep dat de kinderbijslag voor zijn jongere kinderen niet had mogen worden beëindigd. De Raad toetste dit aan de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 26 en Pro 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) en artikel 7c van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De Raad oordeelde dat appellant tot 1 januari 2000 verzekerd was voor de AKW op grond van artikel 26 KB Pro 746, vervolgens tot 1 januari 2006 doorlopend verzekerd was op grond van artikel 27 KB Pro 746, en daarna op grond van artikel 7c AKW alleen recht had op kinderbijslag zolang het jongste kind waarvoor hij op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag nog geen 18 jaar was.
Aangezien het jongste kind op 2015 18 jaar werd, voldeed appellant niet meer aan de voorwaarden voor kinderbijslag en was de beëindiging door de Svb terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de kinderbijslag door de Sociale verzekeringsbank is terecht omdat het jongste kind 18 jaar is geworden.