ECLI:NL:CRVB:2017:2700

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 augustus 2017
Publicatiedatum
4 augustus 2017
Zaaknummer
16/5012 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999Art. 27 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999Art. 7c Algemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging kinderbijslag na bereiken 18-jarige leeftijd jongste kind is terecht

Appellant, woonachtig in Marokko, ontving kinderbijslag voor vier kinderen geboren in 1988, 1994, 1997 en 2006. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2015, omdat het jongste kind waarvoor appellant op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag, inmiddels 18 jaar was geworden.

Appellant stelde in hoger beroep dat de kinderbijslag voor zijn jongere kinderen niet had mogen worden beëindigd. De Raad toetste dit aan de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 26 en Pro 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) en artikel 7c van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De Raad oordeelde dat appellant tot 1 januari 2000 verzekerd was voor de AKW op grond van artikel 26 KB Pro 746, vervolgens tot 1 januari 2006 doorlopend verzekerd was op grond van artikel 27 KB Pro 746, en daarna op grond van artikel 7c AKW alleen recht had op kinderbijslag zolang het jongste kind waarvoor hij op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag nog geen 18 jaar was.

Aangezien het jongste kind op 2015 18 jaar werd, voldeed appellant niet meer aan de voorwaarden voor kinderbijslag en was de beëindiging door de Svb terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De beëindiging van de kinderbijslag door de Sociale verzekeringsbank is terecht omdat het jongste kind 18 jaar is geworden.

Uitspraak

16/5012 AKW
Datum uitspraak: 4 augustus 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2016, 15/7710 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant woont in Marokko en ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij heeft voor zijn kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4], geboren op respectievelijk [in] 1988, [in] 1994, [in] 1997 en [in] 2006, kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslag (AKW) ontvangen.
1.2.
Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het tweede kwartaal van 2015 geen kinderbijslag meer krijgt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 2015 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant op grond van de overgangsregeling na 1 januari 2000 verzekerd is gebleven voor de AKW, zolang het jongste kind waarvoor hij over het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag nog geen 18 jaar is. Nu [kind 3], het jongste kind waarvoor appellant op de dag vóór 1 januari 2000 kinderbijslag kreeg, op [in] 2015 18 jaar is geworden, is appellant vanaf het tweede kwartaal van 2015 niet meer verzekerd voor de AKW.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de Svb het recht op kinderbijslag voor zijn jonge kinderen niet had mogen beëindigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank wordt volledig onderschreven. Op grond van artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) was appellant tot 1 januari 2000 verzekerd voor de AKW. Daarna was hij, tot 1 januari 2006, doorlopend verzekerd voor de AKW op basis van artikel 27 van Pro KB 746. Per 1 januari 2006 is artikel 27 van Pro KB 746 vervallen en is de rechtspositie van appellant, wat betreft de AKW, geregeld in artikel 7c van de AKW. In dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat degene die op grond van artikel 27 van Pro KB 746 doorlopend verzekerd was tot 1 januari 2006 én toen ook nog recht had op kinderbijslag, dit recht behoudt zolang het jongste kind voor wie de betrokkene op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag, de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
4.2.
Hieruit volgt dat appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was voor de AKW, maar dat hij, zolang hij aan de voorwaarden hiervoor voldeed, nog wel recht had op kinderbijslag. Vanaf de datum waarop [kind 3] 18 jaar werd, voldeed appellant niet meer aan de voorwaarden, zodat de Svb de kinderbijslag terecht heeft beëindigd.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2017.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) N. van Rooijen

KP

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de N. van Rooijen en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 4 août 2017.