Uitspraak
4 september 2015, 14/6349 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder verblijfsrecht op grond van de Vreemdelingenwet 2000, maakte bezwaar tegen de voorwaarden waaronder opvang in de Vluchthaven te Amsterdam werd geboden. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht had besloten appellant geen recht op opvang op grond van de Wmo toe te kennen, mede omdat appellant sinds maart 2014 in een asielzoekerscentrum verbleef en daarvoor onverplicht opvang was verleend. De enkele omstandigheid van toelating tot opvang in de Vluchthaven impliceert geen recht op uitkering of leefgeld volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers.
Daarnaast faalde het beroep op het instellen van een dwangsom wegens te late beslissing op bezwaar, omdat geen beschikking over een dwangsom was genomen en de rechtbank hierover niet kon oordelen. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van opvang en uitkering op grond van de Wmo wordt bevestigd.