ECLI:NL:CRVB:2017:2783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen onroerend goed en huurinkomsten
Appellanten ontvingen vanaf oktober 2009 bijstand op grond van de WWB. In het kader van een inkeerregeling meldde appellant in december 2012 bezit van een appartement en bouwgrond in Turkije, die echter al vóór de bijstand op zijn naam stonden. Uit onderzoek van het IBF bleek dat de waarde van deze en andere onroerende zaken aanzienlijk hoger was dan opgegeven, inclusief huurinkomsten.
Het college trok de bijstand met ingang van januari 2010 in en vorderde de te veel ontvangen bijstand terug. Appellanten stelden dat zij niet over alle onroerende zaken beschikten en dat de waarde lager was, onderbouwd met taxatierapporten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het bezit van onroerend goed dat op naam van appellanten stond, aannemelijk maakt dat zij daarover konden beschikken, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, wat niet is gebeurd. Het niet melden van deze bezittingen schendt de inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Raad concludeert dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van onroerend goed en huurinkomsten.