Appellanten ontvingen bijstand over verschillende perioden, waarbij het college de bijstand introk en terugvorderde wegens het niet melden van gezamenlijke huishouding en vermogen in Turkije. Het college baseerde de intrekking deels op verklaringen van buurtbewoners en een onderzoek naar onroerend goed in Turkije.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de verklaringen van buurtbewoners onvoldoende gedetailleerd zijn om aan te nemen dat appellant gedurende de gehele periode 26 januari 2003 tot 20 oktober 2009 zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante, wat nodig is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Ook ontbreekt voldoende inzicht in de waarde en overdracht van onroerend goed in Turkije over latere perioden.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank die het besluit van het college vernietigde voor de periode 26 januari 2003 tot 20 oktober 2009 en bepaalt dat het college een nieuwe beslissing moet nemen. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten voor het incidenteel hoger beroep.