ECLI:NL:CRVB:2017:287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellante was sinds 5 juli 2006 in dienst bij haar werkgever en heeft op 8 januari 2015 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2015 werd beëindigd zonder vergoeding voor de opzegtermijn.
Na het aanvragen van een WW-uitkering weigerde het UWV deze voor de periode 2 februari tot 1 april 2015 wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering had geweigerd wegens een benadelingshandeling.
In hoger beroep stelde appellante dat het niet vragen van een vergoeding geen benadelingshandeling is tenzij het haalbaar was om deze te verkrijgen en zij daarom had moeten vragen. De Raad volgde het UWV en de rechtbank en concludeerde dat appellante geen omstandigheden had aangevoerd die haar handelen konden rechtvaardigen.
De Raad wees het beroep af en bevestigde dat appellante had moeten zorgen voor naleving van de opzegtermijn of een vergoeding daarvan, en dat het niet vragen hiervan een benadelingshandeling vormt. Ook was er geen dringende reden om af te zien van de maatregel.
De uitspraak van de rechtbank Limburg werd daarmee bekrachtigd en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens benadelingshandeling door het niet in acht nemen van de opzegtermijn.