Uitspraak
16.6149 WWB
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB vanaf mei 2013. In november 2013 werd in haar woning een hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld. Het college trok daarop de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug over de periode september tot en met november 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij geen financieel voordeel had genoten en niet de exploitant was van de kwekerij. De Raad oordeelde dat het feit dat de kwekerij in haar woning was aangetroffen, de veronderstelling rechtvaardigt dat zij de exploitant was en dat het niet melden hiervan een schending van de inlichtingenverplichting vormt, ook als er nog geen oogst was.
De Raad benadrukte dat het college de last heeft om aannemelijk te maken dat de inlichtingenverplichting is geschonden en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht had op bijstand. Ook het beroep op hulpbehoevende omstandigheden faalde omdat geen dringende redenen voor terugvordering waren aangetoond. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde hennepkwekerij.