ECLI:NL:CRVB:2016:5094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete en intrekking bijstand wegens hennepkwekerij niet gegrond
Appellante ontving bijstand sinds 2001 en werd geconfronteerd met een hennepkwekerij in haar woning, die zij zelf bij de politie meldde. Het college trok de bijstand over de periode van 15 februari tot 22 maart 2013 in en vorderde de kosten terug, omdat appellante de hennepkwekerij niet aan het college had gemeld. Tevens legde het college een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en matigde de boete tot €500,-. In hoger beroep betoogde appellante dat zij geen betrokkenheid had bij de kwekerij en geen inkomsten had genoten. De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege de schending van de inlichtingenverplichting, waardoor intrekking en terugvordering niet bevoegd waren.
Ten aanzien van de boete stelde de Raad dat het college wel aannemelijk had gemaakt dat de inlichtingenverplichting was geschonden, maar dat er geen benadelingsbedrag was. Op grond van gemeentelijke verordeningen moest het college in dat geval volstaan met een schriftelijke waarschuwing. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van het college, herroept het intrekkingsbesluit, geeft appellante een schriftelijke waarschuwing en veroordeelt het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het college mocht de bijstand niet intrekken en terugvorderen en moest volstaan met een schriftelijke waarschuwing in plaats van een boete.