Uitspraak
[naam 2] .
OVERWEGINGEN
6 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
22 oktober 2012.
BESLISSING
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als operator tot april 2009, meldde zich in december 2010 ziek wegens psychische klachten en ontving een WW-uitkering. Het UWV stelde in november 2012 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Dit besluit werd in bezwaar en eerste aanleg bevestigd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door depressieve klachten volledig arbeidsongeschikt was en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onzorgvuldig was opgesteld. Hij stelde dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met zijn beperkingen en dat de deskundige onbetrouwbaar en onheus was.
De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die in juni 2016 concludeerde dat appellant leed aan een persisterende depressieve stoornis en een persoonlijkheidsstoornis, maar dat het gebrek aan motivatie niet medisch was. Het rapport was consistent en zorgvuldig, en het UWV paste de FML daarop aan.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was. De klachten en beperkingen waren onvoldoende om het recht op WIA-uitkering te rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.