ECLI:NL:CRVB:2017:2949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet-melden woonplaatswijziging
Appellant ontving bijstand van de gemeente Den Haag en stond ingeschreven op een adres binnen die gemeente. Na onderzoek bleek dat appellant gedurende de periode van oktober 2013 tot augustus 2014 feitelijk niet in die gemeente woonde, maar bij de moeder van zijn kind in een andere gemeente. Het college trok de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door de wijziging van woonplaats niet te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en matigde de opgelegde boete vanwege de geringe draagkracht van appellant. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel in Nederland woonde en dat het college hem onvoldoende had voorgelicht. De Raad oordeelde dat de woonplaats moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten, zoals waterverbruik, bankafschriften en observaties, die aantonen dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.
De Raad verwierp het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat er onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen waren. De boete werd bevestigd omdat appellant de inlichtingenverplichting schond zonder verminderde verwijtbaarheid. De afronding van de boete was niet bezwarend omdat een hogere boete in hoger beroep zou zijn opgelegd. De Raad bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de boete wegens het niet melden van woonplaatswijziging.