Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1989 werkzaam bij de gemeente Amsterdam en bekleedde diverse functies. Na meerdere negatieve beoordelingen en conflicten met leidinggevenden en collega’s werd het dienstverband beëindigd wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Het college had appellant meerdere keren aangesproken op zijn functioneren en gedrag, en bood hem een cursus communicatieve vaardigheden aan die hij niet accepteerde.
Het college verleende ontslag op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA. Appellant maakte bezwaar tegen de beoordeling en het ontslag, maar deze werden door het college ongegrond verklaard. De rechtbank wees het beroep van appellant af, waarna hij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de beoordeling op voldoende gronden berustte en dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding die voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs onmogelijk maakte. Het college had geen overwegend aandeel in het ontstaan van de situatie en hoefde geen extra ontslagvergoeding toe te kennen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens een verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.