ECLI:NL:CRVB:2008:BD1593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Procesbelang bij rechterlijke beslissing over rechtmatigheid persoonsgebonden budget huishoudelijke verzorging
Appellante heeft sinds een verkeersongeval in 1999 whiplashklachten en ontving een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging voor de periode 19 mei 2003 tot 18 mei 2005. Na een verzoek tot uitbreiding van de uren en een daarop volgend besluit van het CIZ, verklaarde de rechtbank Roermond het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het ging om een reeds afgesloten periode en er geen schade was aangetoond.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat volgens vaste rechtspraak procesbelang aanwezig is wanneer er een vergoeding van schade wordt gevorderd en het niet op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden. De Raad stelt vast dat appellante een persoonsgebonden budget wenst voor de betreffende periode en dat de Regeling Subsidies AWBZ en Ziekenfondswet geen belemmering bevat voor het met terugwerkende kracht verlenen van het budget.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, wijst de zaak terug voor inhoudelijke beoordeling en veroordeelt het CIZ in de proceskosten van appellante. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed. Hiermee wordt bevestigd dat het ontbreken van een mogelijkheid tot terugwerkende kracht voor huishoudelijke hulp in natura niet betekent dat procesbelang ontbreekt voor het persoonsgebonden budget.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug, waarbij wordt vastgesteld dat appellante wel procesbelang heeft bij de beoordeling van het persoonsgebonden budget.