Uitspraak
30 april 2015, 13/7788 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarbij zijn WGA-vervolguitkering werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen had dan in de FML waren opgenomen, met name ernstige vermoeidheidsklachten en longproblemen die een urenbeperking noodzakelijk maakten. Het UWV stelde dat de mate van arbeidsongeschiktheid inmiddels was vastgesteld op 65 tot 80% per 31 oktober 2013 en dat dit percentage ook per 1 juli 2015 moest gelden.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de FML van 8 december 2014, waarop de hogere mate van arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, meer beperkingen bevat dan de eerdere FML. Medische stukken van appellant toonden geen onderschatting van zijn beperkingen op de datum in geschil aan. De arbeidsdeskundige motiveerde voldoende waarom de geselecteerde functies passend waren, leidend tot een arbeidsongeschiktheid van 70,32%.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond, arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65 tot 80%.