Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege psychische en fysieke beperkingen die zijn toegenomen na juli 2012. Het UWV heeft op basis van medische en arbeidskundige rapporten vastgesteld dat zij geen recht heeft op een uitkering omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen met passend werk.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen deze beslissing ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat de beperkingen niet ernstig genoeg zijn voor een arbeidsduurbeperking en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties geen frequente deadlines of belastingpieken bevatten.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat de beoordeling onzorgvuldig is, met name ten aanzien van onderbrekingen in het werk. De Raad heeft het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld aan het UWV.
De Raad oordeelt dat het UWV voldoende gemotiveerd heeft dat rekening is gehouden met de toegenomen beperkingen vanaf juli 2012 en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn. Er is geen onderbouwd medisch oordeel dat het standpunt van het UWV in twijfel trekt. De Raad bevestigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, met een verbetering van de gronden.
Tot slot veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.