ECLI:NL:CRVB:2017:3112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellante ontving bijstand op basis van de Wet werk en bijstand en stond ingeschreven op een bepaald uitkeringsadres. Na meldingen en onderzoek door de sociale dienst bleek dat zij feitelijk niet op dat adres woonde, maar voornamelijk bij haar ex-partner verbleef. Ondanks haar verklaring hierover, vond de Raad voldoende feitelijke grondslag om te concluderen dat haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres was.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. Appellante voerde aan dat haar verklaring onjuist was weergegeven en dat zij de meeste nachten op het uitkeringsadres verbleef. Deze stellingen werden niet aannemelijk geacht, mede omdat zij haar eerdere verklaring zonder voorbehoud had ondertekend.
Verder stelde appellante dat de terugvordering ernstige financiële gevolgen zou hebben vanwege haar schulden en schuldsaneringstraject. De Raad oordeelde dat dit geen dringende reden is om van terugvordering af te zien, omdat de schulden al bestonden en bescherming via beslagvrije voet mogelijk is.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering worden bevestigd omdat appellante niet op het opgegeven uitkeringsadres woonde en geen dringende redenen voor terugvordering zijn aangetoond.