ECLI:NL:CRVB:2017:3116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met niet-rechthebbende partner
Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar appellant stelde dat zij samen met M, met wie zij een kind heeft, een gezamenlijke huishouding voerde en daarom geen recht had op bijstand als zelfstandig subject. De bijstand werd ingetrokken wegens het niet melden van deze situatie, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormde.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens een vermeende wijziging van de grondslag en onvoldoende motivering, maar de Centrale Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de grondslag was gewijzigd. De Raad stelde vast dat betrokkene en M sinds de verjaardag van hun kind samenwoonden en dat dit een gezamenlijke huishouding vormde.
De Raad verwierp het beroep van betrokkene dat artikel 24 WWB Pro van toepassing zou zijn en benadrukte dat rekening gehouden moet worden met het inkomen van de niet-rechthebbende partner. Ook het beroep dat intrekking ernstige problemen zou veroorzaken wegens een minderjarig kind werd ongegrond verklaard wegens gebrek aan onderbouwing.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond, waarmee de intrekking van de bijstand stand hield.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand blijft gehandhaafd.