ECLI:NL:CRVB:2017:3127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen inkomsten en verwijtbaar ontslag
Appellant ontving bijstand vanaf oktober 2011 en werkte vanaf maart 2012 als oproepkracht bij een bakkerij. Na een onderzoek van de gemeente Barendrecht naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij onder meer waarnemingen en gesprekken plaatsvonden, concludeerde het college dat appellant meer uren werkte dan opgegeven en daarmee de inlichtingenverplichting had geschonden. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug.
Appellant diende een nieuwe aanvraag in, waarna het college de bijstand toekende maar gedurende twee maanden met 100% verlaagde vanwege verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zelf ontslag had genomen. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat hij analfabeet is en de taal niet goed beheerst, dat hij geen onjuiste opgave had gedaan en dat hij niet zelf ontslag had genomen. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat appellant de verklaringen tegenover de sociale recherche niet mocht betwisten, dat hij onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen, en dat de arbeidsovereenkomst op zijn initiatief was beëindigd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde eveneens.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en de opgelegde maatregel wegens verwijtbaar ontslag.