ECLI:NL:CRVB:2017:3136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen eigendom woningen in Turkije
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en was gehuwd met Ö. Na signalen over frequente buitenlandse reizen en vakanties in Turkije, werd door het college een onderzoek ingesteld via het Internationaal Bureau Fraude-informatie en het Bureau Attaché Sociale Zaken in Ankara. Dit onderzoek bracht aan het licht dat appellante en haar partner geregistreerd stonden als belastingplichtigen voor meerdere onroerende zaken in Turkije, met een gezamenlijke waarde die de vermogensgrens overschreed.
Het college besloot daarop de bijstand vanaf mei 2010 in te trekken en de onterecht ontvangen bijstand terug te vorderen. Appellante voerde onder meer aan dat het onderzoek onrechtmatig was en dat zij niet op de hoogte was van het bezit van de woningen, mogelijk door handelen van haar echtgenoot. De Raad verwierp deze bezwaren, stellende dat het college bevoegd was het onderzoek uit te voeren zonder voorafgaand vermoeden en dat de OZB-registratie een gerechtvaardigde vooronderstelling van eigendom vormt.
Verder oordeelde de Raad dat in het kader van gezinsbijstand beide partners als een eenheid worden gezien, zodat appellante zich niet kon beroepen op onwetendheid over het bezit. Omdat appellante geen melding had gemaakt van het bezit, werd de inlichtingenverplichting geschonden. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.