ECLI:NL:CRVB:2017:316

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2017
Publicatiedatum
30 januari 2017
Zaaknummer
14/3027 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:12 AwbArt. 9 WWBArt. 13 WWB
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens ondubbelzinnige weigering arbeidsverplichtingen

De zaak betreft het hoger beroep tegen de intrekking van bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland. De Raad oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat de intrekking per 1 september 2013 onterecht was gebaseerd op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB. Het college nam daarop een nieuw besluit waarin werd gesteld dat appellant de arbeidsverplichtingen bewust en ondubbelzinnig niet nakwam, waardoor intrekking op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, WWB gerechtvaardigd zou zijn.

De Raad onderzocht of het college terecht toepassing gaf aan deze wettelijke grondslag. Het college stelde dat appellant jarenlang diverse gedragingen vertoonde die de arbeidsverplichtingen frustreerden, waaronder het niet volgen van trajecten, weigering van algemeen geaccepteerde arbeid en het zonder toestemming aanmelden voor opleidingen. Appellant betwistte enkele feiten zonder nadere onderbouwing.

De Raad concludeerde dat uit de gedragingen van appellant ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen niet wilde nakomen. Het feit dat appellant eigen initiatieven nam zonder overleg met het college doet hieraan niet af. Volgens vaste rechtspraak is het aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening passend is. Daarom is de intrekking van de bijstand per 1 september 2013 terecht op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, WWB.

De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van 15 januari 2014, maar verklaarde het beroep tegen het nader besluit van 7 juli 2015 ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 september 2013 wordt bevestigd wegens ondubbelzinnige weigering van arbeidsverplichtingen.

Uitspraak

14/3027 WWB, 15/4949 PW
Datum uitspraak: 24 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 april 2014, 14/979 en 14/2066 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland (college)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1701, een tussenuitspraak gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 7 juli 2015 een nieuw besluit genomen (nader besluit).
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, bij brief van 29 juli 2015 een zienswijze op het nader besluit gegeven en nadere stukken ingebracht.
Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken 15/1884 WWB en 15/4958 PW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
E. Romijn. In de zaken 15/1884 WWB en 15/4958 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar de tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1.
De Raad heeft in zijn tussenuitspraak geoordeeld dat het college ten onrechte de bijstand met ingang van 1 september 2013 heeft ingetrokken op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet werk en bijstand (WWB). De intrekking met ingang van die datum berust dus op een onjuiste grondslag. De Raad heeft het college opgedragen het geconstateerde gebrek in het besluit van 15 januari 2014 (bestreden besluit) te herstellen.
1.2.
Bij het nader besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 september 2013 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant jarenlang de genoemde verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB bewust en ondubbelzinnig niet is nagekomen waardoor hij op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB per 1 september 2013 geen recht op bijstand meer heeft.
2. Het nader besluit wordt, met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.
3. Appellant kan zich op de hierna te bespreken gronden niet verenigen met het nader besluit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van wat in de tussenuitspraak is overwogen slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
4.2.
Tussen partijen is, gelet op het besprokene ter zitting, nog slechts in geschil of het college in het nader besluit op goede gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB.
4.3.
Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB heeft geen recht op algemene bijstand degene die jonger is dan 27 jaar en uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 van Pro de WWB, niet wil nakomen.
4.4.1.
In het nader besluit heeft het college een opsomming gegeven van de gedragingen van appellant in de periode van maart 2011 tot en met september 2013. Het college heeft in dat verband onder andere het volgende naar voren gebracht:
- Er heeft in 2011 een negen maanden durend intensief traject richting een betaalde leerwerkplek/opleiding in de metaalbewerking met appellant plaatsgevonden welke door zijn toedoen en houding niet is doorgegaan;
- Eind 2011 is aan appellant, na overleg, een opleiding binnen de beveiliging voorgesteld met daarbij de mogelijkheid om studiefinanciering te krijgen. Dit heeft appellant door eigen toedoen laten mislopen;
- Appellant heeft diverse gedragingen bij Combiwerk vertoond waardoor hij de bemiddeling en begeleiding naar betaalde arbeid dermate heeft gefrustreerd dat verdere begeleiding niet mogelijk was;
- Appellant heeft geweigerd om tijdens het project in het Westland algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden omdat zij geen banen hebben die passen binnen de door hem te volgen opleiding, voor welke opleiding hij geen toestemming heeft gevraagd;
- Er zijn met appellant diverse afspraken gemaakt, die zijn opgesteld in ondertekende trajectplannen en waartegen hij nooit bezwaar heeft gemaakt;
- Appellant heeft zich zonder overleg en zonder toestemming van de gemeente aangemeld voor een BBL-opleiding zonder een betaalde leerwerkplek te hebben, waardoor hij zich niet beschikbaar stelt voor algemeen geaccepteerde arbeid.
4.4.2.
Ter zitting heeft appellant de juistheid van enkele aspecten in de in 4.4.1 gegeven opsomming bestreden doch zonder zijn standpunt nader te onderbouwen. Van redenen om de in de opsomming vermelde feiten (gedeeltelijk) voor onjuist te houden is verder ook niet gebleken. Daarmee is gegeven dat uit de houding en gedragingen van appellant ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, niet wilde nakomen. Dat appellant om hem moverende redenen en in afwijking van de gemaakte afspraken zijn eigen weg volgde en op eigen initiatief de nodige inspanningen leverde om zijn uitgangspositie op de arbeidsmarkt te verbeteren dan wel om aan een betaalde baan te komen, maakt dat niet anders. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331) is het immers niet aan de betrokkene maar aan het bijstandverlenend orgaan om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de betrokkene is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel, arbeidsinschakeling, te bereiken. Dit betekent dat het college de bijstand met ingang van 1 september 2013 terecht heeft ingetrokken op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB.
4.5.
Uit 4.4.2 volgt dat het college met het nader besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, zodat het beroep daartegen ongegrond is.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- (2 punten) in beroep en € 1.732,50,- (3,5 punt) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 januari 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juli 2015 ongegrond;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.722,50,-;
- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 167,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2017.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) A. Mansourova

HD