Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand sinds april 2013. Na een onderzoek naar vermeende inkomsten uit autohandel besloot het college de bijstand deels in te trekken en terug te vorderen over de periode maart 2013 tot juli 2014. De rechtbank vernietigde dit besluit voor de maand mei 2013 omdat het college de inkomsten uit de verkoop van een auto niet betwistte en daarmee het recht op bijstand voor die maand vaststond.
In hoger beroep betwistte het college dit oordeel, maar de Raad oordeelde dat het college buiten de omvang van het geding trad en bevestigde dat het recht op bijstand over mei 2013 vaststaat. Voor de maanden augustus en september 2013 kon het recht op bijstand echter niet worden vastgesteld omdat appellanten geen objectieve en controleerbare gegevens over de inkomsten uit de verkoop van voertuigen hadden verstrekt.
De Raad concludeerde dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden en daardoor het college terecht de bijstand over die maanden kon intrekken. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep werden afgewezen, waarmee de vernietiging van het besluit voor mei 2013 gehandhaafd bleef en de intrekking voor augustus en september 2013 bevestigd. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellanten in het incidenteel hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit voor mei 2013 en wijst het hoger beroep voor augustus en september 2013 af.