Uitspraak
OVERWEGINGEN
18 oktober 2011 studiefinanciering aangevraagd op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Bij besluit van 4 februari 2012 heeft de minister aan appellante met ingang van 1 november 2011 studiefinanciering toegekend.
14 juni 2012, C-542/09. Appellante heeft de Nederlandse nationaliteit. Om die reden faalt ook het beroep op het associatieverdrag met Turkije. Appellante wordt niet anders behandeld dan andere studenten met de Nederlandse nationaliteit zodat van discriminatie geen sprake is.
EEG-Turkije en de artikelen 7 en 9 van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad
EEG-Turkije van 19 september 1980 (Besluit 1/80). Daarbij is aangevoerd dat appellante als gezinslid van een migrerende Turkse werknemer recht heeft op gelijke rechten als unieburgers. Tevens is een beroep gedaan de artikelen 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en 14 van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellante stelt dat sprake is van een verschil in behandeling tussen kinderen van migrerende
EU-werknemers die wel recht hebben op studiefinanciering voor een studie in het buitenland en personen als appellante die de Nederlandse nationaliteit hebben, maar niet in aanmerking komen voor studiefinanciering. Ten slotte is een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en is verzocht om toepassing van de hardheidsclausule.
3-uit-6 eis geldt uitdrukkelijk, nu die eis is gekoppeld aan het wonen gedurende ten minste drie van de zes jaren voorafgaande aan de aanvang van de studie in Nederland, dat deze eis onlosmakelijk verband houdt met een verplaatsing binnen de Unie. Dit betekent dat de 3-uit-6 eis een belemmering vormt van het recht vrij te reizen en te verblijven en dus in strijd is met artikel 21 van Pro het VWEU als daaraan niet wordt voldaan, doordat gebruik is gemaakt van het recht vrij te reizen en te verblijven binnen de lidstaten gedurende die zes jaren, althans gedurende een deel daarvan. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dit betekent dat appellante niet een student is die gebruik heeft gemaakt van het recht vrij te reizen en te verblijven en dat zij zich dus niet kan beroepen op artikel 21 van Pro het VWEU. De minister heeft dan ook niet gehandeld in strijd met het Unierecht door de toepassing van zijn beleidsregel te beperken tot de daar beschreven categorie studenten.
Turkse kinderen die legaal in een Lid-Staat van de Gemeenschap wonen bij hun ouders die aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, hebben in die lidstaat toegang tot het algemeen onderwijs, opleiding in het kader van een leerlingenstelsel en beroepsopleiding op basis van dezelfde toelatingseisen ter zake van genoten onderwijs en opleiding als kinderen van onderdanen van die lidstaat. Zij kunnen in die lidstaat de door de nationale wetgeving op dit gebied geboden voordelen genieten.”
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek van veroordeling tot vergoeding van schade af.