Appellanten ontvingen studiefinanciering berekend naar de norm voor uitwonende studenten. De minister liet op 6 december 2012 een onderzoek uitvoeren naar hun woonsituatie door twee controleurs, die huisbezoeken deden op het adres waar appellanten stonden ingeschreven. Op basis van het rapport herzag de minister de studiefinanciering en kwalificeerde appellanten als thuiswonend, waarna te veel betaalde bedragen werden teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze besluiten ongegrond. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de controleurs die het onderzoek uitvoerden niet bevoegd waren omdat zij werkzaam waren bij een werkmaatschappij van Langhenkel Beheer B.V. en niet onder de aanwijzing van de minister vielen. Hierdoor was het bewijs onrechtmatig verkregen en moest het worden uitgesloten.
Zonder dit bewijs ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor de besluiten van de minister. De Raad vernietigde daarom de bestreden besluiten en herroept de besluiten van 11 januari 2013. Tevens veroordeelde de Raad de minister in de proceskosten van appellanten en bepaalde vergoeding van het griffierecht. De uitspraak vervangt eerdere uitspraken en is gedaan op 29 maart 2017.