Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:3186

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 september 2017
Publicatiedatum
15 september 2017
Zaaknummer
15/7933 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:5 Wet Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering voortzetting Wajong-uitkering tijdens voorlopige hechtenis

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) heeft op grond van artikel 3:5 van Pro de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong) de uitkering van appellant stopgezet vanaf 15 maart 2013 vanwege zijn voorlopige hechtenis. Na vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging op 1 december 2014 werd de uitkering per 1 december 2014 hervat.

Appellant maakte bezwaar tegen de datum van hervatting, stellende dat zijn voorlopige hechtenis onnodig lang duurde doordat hij deels in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum verbleef. Hij vorderde dat de uitkering eerder zou worden hervat. Het Uwv wees dit bezwaar af en de rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat artikel 3:5 Wet Pro Wajong een dwingendrechtelijke bepaling is die geen ruimte laat voor afwijking op grond van omstandigheden die de duur van voorlopige hechtenis bepalen. De Raad oordeelt dat de wetgever bewust heeft beoogd dat tijdens detentie geen uitkering wordt verstrekt, omdat de Staat al in de kosten van levensonderhoud voorziet.

De Raad verwerpt het beroep van appellant dat de lange duur van voorlopige hechtenis een bijzonder geval vormt dat strikte toepassing van de wet uitsluit. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering terecht is stopgezet tijdens voorlopige hechtenis en hervat wordt vanaf de datum van vrijlating.

Uitspraak

15/7933 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
25 november 2015, 15/2087 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 september 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2017. Appellant en mr. Bouts zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 20 juni 2013 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van appellant op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong) met ingang van 15 maart 2013 niet meer tot uitbetaling komt, omdat appellant gedetineerd is.
1.2.
Bij vonnis van 1 december 2014 heeft de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, appellant vrijgesproken onderscheidenlijk ontslagen van alle rechtsvervolging en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd.
1.3.
Bij besluit van 15 januari 2015 heeft het Uwv bepaald dat met ingang van
1 december 2014 weer Wajong-uitkering aan appellant zal worden betaald, omdat hij niet langer gedetineerd is.
1.4.
Appellant heeft tegen het besluit van 15 januari 2015 bezwaar gemaakt. Omdat hij tijdens zijn voorlopige hechtenis in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) heeft verbleven en de voorlopige hechtenis volgens hem onnodig lang heeft geduurd, had het Uwv de betaling van de Wajong-uitkering (met ingang van een eerdere datum) moeten voortzetten.
1.5.
Bij besluit van 26 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en zijn beslissing van 15 januari 2015 gehandhaafd. Tijdens de periode van voorlopige hechtenis is sprake geweest van een situatie waarin appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen en bestaat er geen recht op uitkering.
2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op juiste gronden met toepassing van artikel 3:5 van Pro de Wet Wajong de uitkering met ingang van 1 december 2014 weer heeft voortgezet.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij – mede gelet op de lange duur van zijn voorlopige hechtenis, die hij (deels) heeft doorgebracht in een PPC – op een eerdere datum weer recht had op betaling van zijn Wajong-uitkering.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 3:5, eerste lid, van de Wet Wajong is er geen recht op uitkering voor de jonggehandicapte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Op grond van artikel 3:5, tweede lid, van de Wet Wajong is er weer recht op uitkering vanaf de dag dat de jonggehandicapte in vrijheid is gesteld.
4.2.
Dat de uitkering van appellant met ingang van 15 maart 2013 is beëindigd omdat hem rechtens zijn vrijheid was ontnomen, en dat het daartoe strekkende besluit van 20 juni 2013 in rechte vaststaat, is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat eerst met het vonnis van de strafrechter van 1 december 2014 (terbeschikkingstelling na ontslag van alle rechtsvervolging) een situatie is ontstaan waarin met toepassing van de uitspraak van de Raad van 18 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680, niet langer kan worden gesproken van een vrijheidsbeneming die grondslag is voor weigering van uitkering.
4.3.
Artikel 3:5, tweede lid, van de Wet Wajong is een dwingendrechtelijke bepaling en biedt het Uwv geen ruimte om voor de bepaling van de datum van voortzetting van de
Wajong-uitkering betekenis toe te kennen aan feiten die de duur van de voorlopige hechtenis hebben bepaald. Ter zitting is vastgesteld dat appellant met zijn betoog dat zijn voorlopige hechtenis als gevolg van een in zijn ogen ondeugdelijk verloop van deskundigenonderzoeken langer heeft geduurd dan doorgaans gebruikelijk is, een beroep doet op de in de rechtspraak aanvaarde notie dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin strikte toepassing van een wettelijke voorschrift van dwingendrechtelijke aard zozeer in strijd is met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD7575). Een zo bijzonder geval is dat van appellant niet. Niet valt in te zien dat uitsluiting van uitkering gedurende een, als gevolg van elkaar opvolgende onderzoeken, langer durende voorlopige hechtenis niet door de wetgever voorzien en beoogd is en zozeer sprake zou zijn van strijd met fundamentele rechtsbeginselen dat strikte toepassing van artikel 3:5, tweede lid, van de Wet Wajong, die leidt tot hervatting van de uitkering niet eerder dan met ingang van 1 december 2014, geen rechtsplicht meer zou zijn. Daarbij is van belang dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd een einde te maken aan de situatie dat tijdens detentie verstrekking van een
socialezekerheidsuitkering plaatsvindt, terwijl de Staat reeds in de kosten van het levensonderhoud voorziet.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.P.M. Zeijen en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2017.
(getekend) M. Greebe
(getekend) N. van Rooijen

HD