ECLI:NL:CRVB:2017:329
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening Wuv-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1932 in Nederlands-Indië, heeft herhaaldelijk verzocht om toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Eerdere aanvragen en bezwaren zijn afgewezen omdat niet is vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.
In 2014 diende appellant opnieuw een verzoek tot herziening in met nieuwe getuigenverklaringen, maar verweerder wees dit af wegens onvoldoende bewijs van vervolging. Tijdens de zitting in 2016 werd besloten het bezwaar alsnog inhoudelijk te behandelen, maar het standpunt bleef ongewijzigd.
De Raad oordeelt dat de nieuwe verklaringen te algemeen en onvoldoende zijn om het eerdere oordeel te wijzigen. Gezien de tegenstrijdige eerdere verklaringen en het ontbreken van bewijs van excessief geweld bij de arrestatie van appellant’s moeder, handhaaft de Raad het besluit tot afwijzing. Wel wordt appellant in redelijke kosten van reis en verblijf tegemoetgekomen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het Wuv-besluit wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten die een andere beslissing rechtvaardigen.