Uitspraak
16.821 WWB
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en verklaarde een schadevergoeding te hebben ontvangen na een inbraak. Het college verzocht haar om bewijsstukken zoals politieaangifte, verzekeringsspecificaties en aankoopbewijzen. Appellante leverde slechts gedeeltelijke documenten aan. Het college schortte vervolgens haar bijstand op en trok deze later in vanwege het niet volledig aanleveren van de gevraagde stukken.
Appellante voerde aan dat het intrekkingsbesluit onterecht was, onder meer omdat eerdere besluiten waren ingetrokken en omdat zij van het college een ondubbelzinnige mededeling had ontvangen dat de intrekking niet meer aan de orde was. De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke intrekkingsbesluit was herleefd en dat geen sprake was van een ondubbelzinnige toezegging.
De Raad stelde vast dat appellante niet alle gevraagde documenten had verstrekt en dat zij geen aannemelijk bewijs had geleverd dat zij deze niet kon verkrijgen. Ook het argument dat aankoopbewijzen in bezit waren van een overleden derde werd verworpen omdat zij geen pogingen had ondernomen om deze te verkrijgen.
Op grond van artikel 54 van Pro de WWB was het college bevoegd tot opschorting en intrekking van de bijstand. De Raad concludeerde dat appellante verwijtbaar had gehandeld en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die het bezwaar van appellante ongegrond had verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens het niet tijdig en volledig overleggen van gevraagde stukken.