ECLI:NL:CRVB:2017:3364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde prostitutieactiviteiten vanaf september 2013
Appellant ontving sinds 1996 bijstand en werd door een tactisch politieonderzoek verdacht van het exploiteren van een seksinrichting vanuit zijn woning. Uit onderzoek bleek dat hij advertenties plaatste op een prostitutiesite en inkomsten ontving van een prostituee die in zijn woning werkte.
Het college trok de bijstand met ingang van 19 februari 2013 in en vorderde de kosten terug, omdat appellant werkzaamheden verrichtte en zijn inlichtingenplicht schond. Tevens werd een bestuurlijke boete opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde de boete deels.
In hoger beroep stelde appellant dat de werkzaamheden pas vanaf 7 september 2013 begonnen, omdat de eerste advertentie onder zijn profiel toen werd geplaatst. De Raad oordeelde dat het aanmaken van een account op 19 februari 2013 onvoldoende grondslag biedt voor werkzaamheden vanaf die datum. De Raad bevestigde dat werkzaamheden vanaf 7 september 2013 wel aannemelijk zijn en dat de intrekking, terugvordering en boete vanaf die datum terecht zijn.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en de besluiten voor de periode vóór 7 september 2013 en beval het college een nieuwe beslissing te nemen over terugvordering en boete, rekening houdend met de actuele situatie van appellant. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd voor de periode vóór 7 september 2013, maar bevestigd vanaf die datum; de boete wordt eveneens vernietigd voor de eerdere periode en het college moet een nieuwe beslissing nemen.