ECLI:NL:CRVB:2017:3376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Na onderzoek door sociale recherche bleek dat appellante en appellant een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen niet was gemeld. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug van beide appellanten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten deels gegrond en stelde de terugvordering vast op een lager bedrag dan het dagelijks bestuur had berekend, waarbij rekening werd gehouden met de gehuwdennorm en de alleenstaande ouderkorting als inkomen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de Belastingdienst de alleenstaande ouderkorting zou terugvorderen en dat het dagelijks bestuur bij de terugvordering rekening had moeten houden met eventuele arbeid stimulerende maatregelen. De Raad overwoog dat de Belastingdienst nog geen besluit tot terugvordering had genomen en dat het dagelijks bestuur geen aanleiding zag om deze factoren in de terugvordering te betrekken.
De Raad vond de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank juist en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarbij het hoger beroep werd verworpen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.